anjahenke
 
Spinoza ca. 1665

Benedictus de Spinoza


De voorouders van Baruch de Spinoza waren Spaanse joden, die zich aan de grens tussen Spanje en Portugal hadden gevestigd en leefden van de handel. In 1593 vluchtten zij voor de inquisitie naar Nederland.
Spinoza werd op 24 november 1632 geboren in Amsterdam.
Op 20-jarige leeftijd nam hij les bij Franciscus van de Enden in Amsterdam. De school stond bekend als centrum van vrij onderzoek.
Zijn geestelijke onafhankelijkheid bracht hem in contact met niet-orthodoxe Nederlandse christenen; hun simpele levenswijze en grote verdraagzaamheid sprak hem aan. De joodse geestelijke leiders voelden dit contact echter als vreemdgaan. In 1656, Spinoza heeft zijn voornaam gewijzigd in het latijnse Benedictus, gedroeg zich wat excentriek en hield er een afwijkende mening op na, werd hem definitief de toegang tot de synagoge ontzegt, werd hij vervloekt en uiteindelijk verbannen uit Amsterdam. Hij verbleef in Ouderkerk, om in 1660 voor kort terug te keren, leefde daar van het slijpen van lenzen en het geven van lessen in de cartesiaanse filosofie. Later dat jaar vestigde hij zich in Rijnsburg.
In 1663 verhuisde hij naar Voorburg, waar hij werkte aan de Ethica en in contact kwam met Johan de Witt.
In 1670 publiceerde hij anoniem zijn Tractatus theologico-politicus, waarin hij voorstander was voor scheiding van kerk en staat en pleitte voor verdraagzaamheid, begrip en vrede. (Het werk werd in 1674 formeel verboden.) Hij verbleef bij de schilder Hendrik van der Spyck in Den Haag. In 1672 werden de gebroeders de Witt door een woedende angstige menigte gedood.
Op 20 februari 1677 overleed Spinoza in Den Haag aan tuberculose en werd begraven in de Nieuwe Kerk aan het Spui.
Spinoza was een eenvoudig en natuurlijk mens gerespecteerd door vrienden en kennissen. Caute (behoedzaam) was zijn levensmotto.
In zijn filosofie gebruikte hij, als een rationalist, definities, axioma’s en stellingen met bewijs en commentaar om een goed sluitend geheel van gedachten op te bouwen. Hij vroeg zich af of er iets bestond, een bereikbaar waarachtig goed, dat een ongestoorde en verheven blijmoedigheid zou kunnen verzekeren.
Spinoza geloofde in een evenwicht van krachten:
-in de mens, die zich niet door zijn hartstochten moet laten overheersen en zijn mede mens beter kan leren begrijpen in plaats van te veroordelen,
-in de staat, waar het volk niet afhankelijk dient te zijn van de goede wil van de staatslieden.
Deus sive Natura. Het verschil tussen god en de wereld ontstaat vanuit een ander inzicht. Deus is natura naturans, de active natuur en Natura is natura naturate, het resultaat daarvan. Het scheppende en het stromende in een eeuwig spel van voortbrengen en vergaan.
Zijn monistische filosofie, waar al wat is in god is of in de natuur, maakt hem zowel atheïst als pantheïst. Alles in de wereld bestaat noodzakelijkerwijs, niet anders dan het is. In dit gedetermineerde bestaan is het een illusie vrij te kunnen zijn in de tijd. Het is wel mogelijk vrij van tijd te zijn door de samenhang en de natuur van de dingen te begrijpen.

                                                                     Domino,

mijn vrijheid is weten
dat ik omval
als ratelen nadert

mijn lot
in jouw handen ligt

maar wees gerust
ik zal het niet misbruiken